Frans romanschrijver, boegbeeld van het naturalisme en auteur van de cyclus Rougon-Macquart, die Dreyfus verdedigde met zijn „J'accuse”. Hij schreef „Nana”, „Germinal” en „Het paradijs der dames”, gelezen om hun beeld van de samenleving onder het Tweede Keizerrijk.
Émile Zola werd in 1840 geboren in Parijs en groeide op in Aix-en-Provence, waar hij bevriend raakte met Paul Cézanne. Zijn vader, een ingenieur van Italiaanse afkomst, stierf toen Émile zeven was. Nadat hij twee keer voor zijn eindexamen was gezakt, werkte hij bij de uitgeverij Hachette en werd hij daarna journalist en kunstcriticus, die het voor Manet opnam. Met „Thérèse Raquin” (1867) maakte hij naam.
Als boegbeeld van het naturalisme werkte hij vijfentwintig jaar aan de cyclus Rougon-Macquart, twintig romans die één familie volgen onder het Tweede Keizerrijk. Daartoe behoren „De kroeg” (1877), dat hem rijk maakte, „Nana” (1880), „Het paradijs der dames” (1883), „Germinal” (1885), over een mijnwerkersstaking, en „Het beest in de mens” (1890).
In 1898 publiceerde hij „J'accuse” in de krant L'Aurore, ter verdediging van kapitein Dreyfus, die ten onrechte was veroordeeld. Vervolgd wegens smaad bracht hij een jaar in ballingschap door in Engeland. Hij stierf in 1902 in Parijs, vergiftigd door de dampen van een verstopte schoorsteen, en werd in 1908 overgebracht naar het Panthéon.